Geschiedenis

RIJKSMIDDELBARESCHOOL –
KONINKLIJK TECHNISCH ATHENEUM
(1 september 1948)

HISTORIEK

WOORD VOORAF

Vanaf het ontstaan van België liep de diametraal tegengestelde visie van katholieken en niet-katholieken over de rol van de godsdienst en de kerk als een rode draad door de Belgische politieke geschiedenis. Tussen 1831 en 1846 werd tussen beide protagonisten wel nog een compromispolitiek gevoerd in de geest van het unionisme. Getuige daarvan de wet van 1842 op het lager onderwijs, waarbij elke gemeente een of meerdere lagere scholen moest inrichten, maar daartoe ook reeds bestaande en dus katholieke instellingen mocht aanvaarden. In elk geval moest godsdienstonderwijs verzekerd worden. Het unionisme begon echter spoedig zijn betekenis te verliezen (Willem I vormde o.a. geen bedreiging meer voor het voortbestaan van België). De visies van katholieken en liberalen op onderwijs groeiden uit tot onverzoenlijke tegenstellingen.
In 1878 wonnen de liberalen de verkiezingen en de regering maakte werk van de scheiding van Kerk en Staat op het vlak van het onderwijs.
In 1879 werd de “Wet Van Humbeeck” gestemd (Pierre Van Humbeeck, notoir vrijdenker, was de eerste minister van onderwijs sinds 1830), waarbij er een neutraal lager onderwijs opgericht werd. Zo werd het godsdienstonderwijs een keuze van de ouders en een zaak van de bedienaars van de godsdiensten. Het moest voor of na de lesuren gegeven worden. Zedenleer werd een verplicht vak. In 1881 werd de wet op het middelbaar onderwijs gestemd. Twaalf athenea en een honderdtal rijksmiddelbarescholen zagen het daglicht.
De katholieken reageerden met het massaal oprichten van vrije lagere scholen. Mensen die hun kinderen naar de neutrale, “goddeloze” scholen stuurden werd het toedienen van de sacramenten onthouden.
De eerste schoolstrijd was een feit.
De verkiezingen van 1884 betekenden de liberale nederlaag . De katholieken kregen dertig jaar lang het overwicht (1884 – 1914). De wet Van Humbeeck werd onmiddellijk gewijzigd en omdat de oprichting van een neutraal rijksonderwijs afhing van de toestemming van de regering en van het parlement, bleef het aantal rijksscholen laag.

RIJKSONDERWIJS IN NEDERBRAKEL

Sinds de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht (1919) kende België geen homogene regeringen meer, met uitzondering van de christen-democratische regering tussen 1951 en 1954. Socialisten en/of liberalen maakten nu voortaan ook deel uit van de regeringen.
De oprichting van een rijksmiddelbareschool te Nederbrakel kaderde dan ook in de algemeen aanvaarde trend die zich op onderwijsgebied doorzette na de Tweede Wereldoorlog, waarbij, naast het bestaande en zeer uitgebreide katholieke net, een neutraal rijksonderwijs zou opgericht worden. Zo moesten, gespreid over verschillende jaren, een tiental rijksscholen per jaar het daglicht zien.
De voorwaarden tot oprichting van een rijksmiddelbareschool waren in Nederbrakel aanwezig: er was een minimum van 5000 inwoners en men had geen vrije schoolkeuze. Er waren immers alleen katholieke scholen.
Een school komt er echter zo maar niet, ook al is daar zo’n grote en gefundeerde behoefte aan. Het is dan ook de bijzondere verdienste geweest van Arthur De Waele, gemeente- en provincieraadslid voor de Liberale Partij, dat hij, samen met socialistische politici, de ministeriële diensten heeft overtuigd in Nederbrakel een officiële school op te richten.

Einde juni 1948 werd Gomaar De Vriendt, leraar aan het Koninklijk Atheneum te Ronse, aangesteld tot directeur van de R.M.S.- Nederbrakel. De problemen waarmee hij geconfronteerd werd waren legio. Zo stond het terrein (eigendom van Arthur De Waele) begin juli 1948 nog vol met aardappelen en groenten.
Alleen al de plaatselijke bevolking informeren vormde een huizenhoog probleem, daar alleen “De Vooruit” en “Het Laatste Nieuws” artikels wilden publiceren.
Huis-aan-huis folders met de doelstellingen van de nieuwe school, de studiemogelijkheden, de inschrijvingen … hielpen dat probleem op te lossen.
Persoonlijke bezoeken aan de ouders verliepen ook moeilijk. De adressen van de schoolplichtige kinderen waren in de handen van de gemeentelijke administratie en op sympathie, laat staan medewerking, moest niet gerekend worden, vermits de Katholieke partij (sinds augustus 1945 omgedoopt in de C.V.P.) Nederbrakel decennialang bestuurd had.
De plaatselijke geestelijke overheid was uiteraard ook niet opgezet met de nieuwe school, aangezien er een einde kwam aan hun onderwijsmonopolie. Het was dan ook niet zo fraai dat de nieuwe school, ook van op de preekstoel, in een negatief daglicht werd gesteld en dat nog vele, vele jaren lang na de oprichting. Leerlingen werden als uitschot behandeld, (ze liepen school in de “dierentuin”), ouders werden afgedreigd, bij de jaarlijkse 11-november plechtigheid kreeg de vlag van de R.M.S. geen plaats naast de andere vlaggen vooraan in de kerk, kinderen die school liepen in het katholiek onderwijs kregen verbod contact te zoeken met kinderen uit de Rijksschool…

Dus flink wat tegenkanting, maar gelukkig ook flink wat hulp. Op het gevaar af onvolledig te zijn, moeten we hier toch enkele namen opsommen van inwoners uit Nederbrakel en omgeving die zich niet lieten intimideren en zich voor de school onverdroten inzetten.
We citeren hier uit de toespraak van ere-directeur De Vriendt, gehouden ter gelegenheid van het pensioen van zijn opvolger directeur Fernand De Bodt : Arthur De Waele, Remi Baeskens, Emilien Van Cauwenberghe, Michel Vanderhaegen, Cyriel Van Oycke, Marcel De Ridder, Richard Vanderlinden, Fernand Cosyns, Jozef Deprez en zijn broer René, Pierre Praet, Albert Hoebeke. Gaston Delvoye, drukker Alfred Van den Driessche, Martha Walraet en haar familie, allen uit Nederbrakel.
De gemeenten Opbrakel, Elst, Everbeek, Zegelsem, Michelbeke en St.-Maria-Oudenhove waren “moeilijke” gemeenten waar het kerkelijk gezag nog zeer stevig stond. Maar ook hier waren er families die de school steunden, o.a. de Vandenbroeckes en de De Ridders.
Uit St.-Maria- en St.-Martens-Lierde kwam er volop medewerking van Achiel De Prijck, later burgemeester van St.-Maria-Lierde, de families Tortelboom en Van Damme en Jules Sadones. En in Parike was het burgemeester Hubert Burens die zich voor de kar spande. Tot zover de namen vermeld door ere-directeur G. De Vriendt.
Velen blijven hier onvermeld, opgelost door de vergetelheid van de geschiedenis.
Niettegenstaande de vele moeilijkheden en tegenkantingen, steeg het aantal ingeschrevenen dagelijks. En op 1 september 1948, een koude en winderige regendag, stonden er op de modderige speelplaats 276 leerlingen (en niet 16 zoals de katholieke pers schamper voorspeld had).

Maar … geen enkel paviljoen was volledig afgewerkt. Opgehangen zeilen vormden de scheidingsmuren tussen de klassen van dat ene paviljoen met dak. Daar zat de volledige middelbare afdeling aan lange tafels, geleend van het Volkshuis te Ronse. Men schreef op oud behangselpapier, gekregen van Clara Tortelboom, die een verfwinkel uitbaatte rechtover de ingang van de school.
Schoolmeubilair, zoals banken, stoelen of borden, was evenmin te bekennen. Het personeel was de laatste dagen van augustus wel aangesteld.

En zo kwam het dat tientallen leerlingen en hun leerkrachten onderdak kregen in privé-huizen van sympathiserende Brakelaars. We vermelden hier de kolenhangar van Jozef Deprez in de Stationsstraat; het Volkshuis, nu apotheek, eveneens in de Stationsstraat, waar de echtgenote van lokaalhouder Michel Vanderhaegen vanaf de eerste dag een ketel soep voor de kinderen klaarmaakte; het huis van René Deprez, broer van Jozef, in de Tenbossestraat; het huis van de familie Ramsdam, gelegen naast de school, nu café; het voormalige fabrieksgebouw van Fernand Cosyns in de Kasteelstraat; het huis van de familie Van Achter in de Tenbossestraat.
Verre van ideale omstandigheden dus en toch was er ‘s anderendaags maar één leerling weggebleven.
Vele ouders bleven hun vertrouwen schenken. Dat resulteerde in een gestadige groei van de school, niettegenstaande de pesterijen, de verdachtmakingen en intimidaties waarvan leerlingen en ouders nog vele jaren het slachtoffer bleven.
Vanaf het schooljaar 1949-50 werden er avondlessen opgestart. Zo kon men er terecht voor handel, knippen en naaien, huishoudkunde. Vanaf het schooljaar 1950-51 werden er elektriciteit en constructie aan toegevoegd. Door besparingsmaatregelen van de overheid werden die afdelingen later afgebouwd, met uitzondering van de afdeling naaien.

Zoals hierboven al aangehaald, groeide de schoolpopulatie jaar na jaar. In 1952 waren er 355 leerlingen, wat huisvestingsproblemen meebracht. Ook het Ministerie van Onderwijs besefte dat en na herhaaldelijk aandringen kreeg Nederbrakel een modern gebouwencomplex.
Maar ook dat verliep niet van een leien dakje. De katholieke meerderheid weigerde aanvankelijk immers een bouwvergunning af te leveren, omdat er op de plaats, voorzien voor de gebouwen, een voetpad moest komen, dixit het gemeentebestuur.
De gebouwen kwamen er uiteindelijk toch en wel in een recordtempo. De plechtige inhuldiging gebeurde op 13 september 1954, in aanwezigheid van de Ministers van Openbaar Onderwijs, Leo Collard en van Openbare Werken, Van Glabeke (die de belofte deed de opdracht te zullen geven aan de administratie om onmiddellijk met een tweede vleugel te beginnen; een belofte die nog altijd moet nagekomen worden) en van tientallen prominenten.
De paviljoenen van 1948, opgetrokken voor een periode van 10 jaar, staan er nog steeds: roestige, tochtige loodsen, totaal niet aangepast aan de noden en de verzuchtingen van de 21ste eeuw.

De inhuldiging van het nieuwe gebouwencomplex ging niet onopgemerkt voorbij. De toenmalige burgemeester, Jozef Van der Linden, weigerde de plechtigheid bij te wonen, omdat hij, naar hij beweerde, door de kermis weerhouden was.
En de C.V.P. maakte van de aanwezigheid van de Minister van Onderwijs gebruik om zijn beleid op de korrel te nemen. Minister Collard had immers voordien 110 leerkrachten uit het Rijksonderwijs ontslagen omdat die volgens de administratie van Onderwijs niet in het bezit waren van een geldig diploma. Bovendien had hij ook bij zijn aantreden in 1954 als Minister van Onderwijs in de socialistisch-liberale regering (1954-1958) een deel van de beslissingen van zijn voorganger, Pierre Harmel, ten voordele van het katholiek onderwijs teruggeschroefd, en had hij maatregelen genomen om meer expansiemogelijkheden voor het officieel onderwijs te creëren.
Een radiowagen toerde rondjes in de Kasteelstraat, leuzen scanderend tegen Leo Collard. Vlugschriften werden verspreid, waarin de bevolking o.m. werd opgeroepen aanwezig te zijn op een protestvergadering in het Gildenhuis te Nederbrakel. Typerend hierbij was dat de katholieke regionale pers het had over een zeer succesvolle meeting, terwijl het socialistische “Voor Allen” sprak over 90 aanwezigen, waaronder “de helft pastoors, nonnen en onderwijzers uit katholieke scholen”.
De inhuldiging en de protestbeweging hadden een grote weerklank, niet alleen regionaal, maar ook nationaal, en niet alleen aan Vlaamse, maar ook aan Waalse kant. In het unitaire België van toen brachten de kranten nieuws uit het gehele land. Vooruit, Volksgazet, Het Laatste Nieuws, La Dernière Heure en Le Peuple hadden hun verslaggevers gestuurd.
We merken hier wel op dat het uitsluitend om socialistische en liberale kranten ging. Waar de nationale kranten het hielden bij de vermelding van de feiten, gingen de plaatselijke weekbladen polemieken aan waarbij scheldwoorden niet geschuwd werden.

In 1956 hield directeur G. De Vriendt het in Nederbrakel voor bekeken. Met spijt in het hart aanvaardde hij het directeurschap van de nog op te richten R.M.S. Merelbeke. En, zoals hij zelf zegde, deze keer stond hij met het telegram in de hand voor een korenveld.

Met het vertrek van Gomaar De Vriendt brak het directeur¬schap aan van Fernand De Bodt, voorheen leraar aan het Koninklijk Atheneum te Zottegem.
Zijn directeurschap werd gekenmerkt door een spectaculair groeiend leerlingenaantal. Zo bereikte in 1963 de schoolpopulatie 750 leerlingen. De daaropvolgende jaren bleef dat aantal min of meer gehandhaafd. De jaren 1970 toonden een relatieve terugval, grotendeels te verklaren door de groeiende denaliteit, het ontbreken van hoger middelbaar onderwijs en het wantrouwen van vele ouders tegenover de grote onderwijshervorming, het Vernieuwd Secundair Onderwijs (V.S.O.)

Ondertussen hadden in 1964 enkele idealisten besloten een Oud-¬leerlingenbond op te richten. We herinneren ons nog zeer goed die pioniersjaren, waarin een groepje vrijgezellenvrienden het bestuur vormden. We denken hier aan Albert Delcourt (zeer enthousiast initiatiefnemer en ondervoorzitter), Ghislain Hoebeke, Willy De Geeter, Robert Hubo (de eerste voorzitter), Marie-Thérèse Van Twembeke (secretaresse tot 1966), Paul Roelandt (penningmeester tot 1975), Willy Delvoye (secretaris van 1966 tot 1995), Paul Koolbrant en Paul Van Huffel.
Anderen traden toe tot het bestuur, kwamen en gingen soms, zoals dat gaat. Blijvers en nieuwe steunpilaren werden Gaston Cosyns (huidig voorzitter), Jacques Vanderstichelen (huidig penningmeester), Linda Van de Kerckhove, Myriam Cosyns en Clairy Bakkaus (secretaris vanaf 1 september 1995 tot 2002 en manusje-van-alles…. ).
Door de jaren heen werd de Oud-leerlingenbond een belangrijk werkinstrument in de handen van de school. Met nostalgie denken we hier terug aan de legendarische bals met o.a. Marijn De Valck (Marino Falco), Marva, Will Tura, Jimmy Frey en vele anderen. Tombola’s, mossel- en tuinfeesten werden georganiseerd om financieel bij te springen waar nodig. Culturele manifestaties, ontspanningsavonden en trips werden ingericht voor leden en niet-leden met o.a. bezoeken aan de K.V.S. Brussel, jaarlijkse mosselsmulpartijen te Philippine, buitenlandse reizen, de 3-jaarlijkse schilderijententoonstelling, kaartavonden, optredens van The Strangers, De Bob Boonsingers, Jef Burm en vele anderen.
Politieke debatten werden georganiseerd met o.a. Jan Verroken, Wilfried Martens, Nelly Maes, Herman De Croo, gemodereerd door o.m. Jan Schodts en Dirk Sterckx.

Ondertussen was Robert Hubo, zijn hart volgend, op 11/10/66 uitgeweken naar Gent. Hij werd in de voorzittersstoel opgevolgd door de huidige voorzitter, Gaston Cosyns (oktober 1966).

Directeur De Bodt poogde zijn school verder uit te bouwen. Maar de uitbreiding tot een Atheneum kende geen succes en de broodnodige vervanging van de paviljoenen door een multifunctioneel gebouwencomplex ging evenmin door. Wel werd een nieuw kleuterblok in gebruik genomen (4/10/1976) en werd een schoolrestaurant gebouwd (eerste steenlegging door de toenmalige Minister van Nationale Opvoeding, Herman De Croo – 06/10/1976).
Aan die kalme periode kwam in Brakel in 1971 een einde met de invoering van het Vernieuwd Secundair Onderwijs (V.S.O.). Het was een moeilijke en onstabiele periode met experimenten allerhande: nieuwe vakken, nieuwe onderwijsmethodes, nieuwe programma’s, voortdurend veranderende rapporten.
Het hoeft hier geen betoog dat sommige ouders het geloof in het Rijksonderwijs verloren en voor hun schoolgaande kinderen rustiger oorden opzochten.

Ook de structuur van de school onderging wijzigingen. Zo verkreeg de Basisschool vanaf 1 augustus 1975 autonomie. De eerste directeur werd wijlen Aimé Tuypens, eerder hoofdonderwijzer aan dezelfde school, op 1 september 1982 opgevolgd door wijlen Herbert Pieters. De huidige directrice van de basisschool is sinds 13 november 1989 Christiaene Vanderlinden

Na 27 jaar de RM.S. Brakel geleid te hebben, ging directeur De Bodt met pensioen (31/08/1983). Hij werd opgevolgd door Lucienne De Naeyer, voorheen directrice van de Rijksmiddenschool te Oostakker.
Het directeurschap van Lucienne De Naeyer was van korte duur, want al op 01/05/1985 ging ze met pensioen. Collega Dirk De Merlier werd bereid gevonden de verantwoordelijkheid van het schoolbeleid op zich te nemen, tot een nieuwe directeur werd aangesteld. Dat gebeurde op 01/01/1986.

Met de aanstelling van Gilbert Andriessens (eerder directeur aan de Middenschool te Herzele) trad de school een nieuwe fase in haar bestaansgeschiedenis in.
Waar vroeger geprobeerd werd, deels gedwongen, om te behouden wat men had, probeerde de nieuwe directeur, met succes, de school aansluiting te laten vinden bij de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen van het laatste decennium van de 20ste eeuw. Zo trad de school het informaticatijdperk in, wat toen voor sommigen niet zo vanzelfsprekend was. Onder de stuwende en bezielende kracht van directeur Andriessens, Nadia Verpoort en Geertrui Verbeurgt (leerkrachten Wiskunde en Handel) werden de eerste lessen informatica gegeven. Zij slaagden erin hun enthousiasme en hun geloof in de nieuwe technologie op de leerlingen over te dragen.

De Rijksmiddenschool werd geleidelijk uitgebreid tot een KONINKLIJK TECHNISCH ATHENEUM.
De derde graad Boekhouden-Informatica werd opgericht (schooljaar 1991-1992) wat perspectieven bood op verdere studies of op een onmiddellijke vervoeging van de arbeidsmarkt.

Tussen 1993 en 1997 werd de derde graad verder uitgebreid met:
– Metaal + Kleding, onderdeel Retouches
– Latijn – Wiskunde (met 8 u wiskunde)
– Moderne Talen – Wiskunde
– Moderne Talen – Wetenschappen
– Economie – wetenschappen
– Latijn – Moderne Talen
Een brede waaier van mogelijkheden, waardoor de scholieren hun middelbare studies in het K.T.A nu ook konden afronden.

We wensen het K.T.A. Brakel alle succes toe in de 21ste eeuw.

BRONNEN:

Bijna onbestaande
Wel: Herinneringen van eredirecteur Gomaar De Vriendt.
Krantenartikels uit Vooruit, Volksgazet, Het Laatste Nieuws, La Demière Heure, Le Peuple (1954).
Artikels uit de weekbladen Voor Allen, De Beiaard, De Ronsenaar (1954).
Eigen herinneringen.
Geschreven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van R.M.S.-Nederbrakel, K.T.A.-Brakel en de inhuldiging van het nieuwe gebouw voor de afdeling Metaal.

Willy Delvoye